Canon van Nederland: het Oranjegevoel

Als Nederlandse sporters, individueel of in teamverband, uitblinken op het hoogste niveau, komt het Oranjegevoel naar boven: straten worden oranje versierd en mensen trekken soms de vreemdste oranje uitdossingen aan. De Nederlandse leeuw, van oudsher het symbool van kracht, is overal te zien.

Geschiedenis
‘Oranje’ is van eind zestiende tot eind achttiende eeuw een politiek symbool dat geassocieerd wordt met de orangisten: aanhangers van de stadhouders uit het Huis van Oranje. De kleur raakt verbonden met de identiteit van de Nederlandse natie. Tijdens periodes van buitenlandse heerschappij, zoals de napoleontische jaren en de Tweede Wereldoorlog, staat oranje voor verzet tegen de vreemde overheersing.

De afgelopen jaren speelt het Oranjegevoel vooral een niet-politieke, verbindende rol. Het sluit aan bij een verlangen naar saamhorigheid dat groeit in een samenleving waarin verschillen tussen mensen en groepen steeds groter lijken te worden. Het komt bijvoorbeeld tot uiting op Koninginnedag (sinds 2013 Koningsdag), een nationale feestdag die eind negentiende eeuw voor het eerst gevierd wordt. Maar ook in tijden van onzekerheid en crisis kan ‘Oranje’ mensen houvast bieden en het gevoel geven dat ze met elkaar verbonden zijn.


Sportheldinnen en -helden

De afgelopen decennia wordt het Oranjegevoel vooral gewekt wanneer Nederlandse sporters deelnemen aan belangrijke internationale wedstrijden of toernooien. Individueel of in teamverband vertegenwoordigen ze hun land; de toeschouwers zien tijdens de wedstrijden Nederland in actie komen, concreet gemaakt door de sporter of het team. Dat roept een gevoel van nationale saamhorigheid op.

De schaatssport loopt daarin regelmatig voorop. Een evenement als de Friese Elfstedentocht, voor het eerst in wedstrijdverband gereden in 1909, combineert groepsgevoel met individuele topprestaties. En ook de eerste oranjegekleurde tribunes en oranje mutsjes zijn halverwege de jaren zestig te vinden in de schaatssport.

De Nederlandse sportgeschiedenis kent veel sportheldinnen en -helden. Enkelen van hen danken hun roem niet alleen aan sportieve prestaties, maar ook aan een bredere maatschappelijk-culturele invloed. Neem Fanny Blankers-Koen (1918-2004), die als atlete een legendarische status verwerft wanneer ze tijdens de Olympische Spelen van 1948 vier gouden medailles wint. Daarmee kan ze wereldwijd als rolmodel voor sportende vrouwen fungeren, omdat ze laat zien dat vrouwen volwaardig kunnen meedoen.

Ook voetballer Johan Cruijff (1947-2016), die met zijn buitengewone talent furore maakt bij clubs als Ajax en FC Barcelona, wordt wereldberoemd. Zijn bekendheid groeit door zijn persoonlijkheid: hij is recht voor zijn raap en verrijkt de Nederlandse taal met cruijffiaanse uitspraken als ‘elk nadeel heb z’n voordeel’.

Voetbal

Hoewel het Oranjegevoel zich uitstrekt tot vrijwel alle sporten, is voetbal nog altijd de populairste sport in Nederland. Geen wonder dus dat er vooral tijdens internationale voetbalkampioenschappen sprake kan zijn van een ware Oranjegekte.

In 1974 neemt het Oranjegevoel in het voetbal massale vormen aan. Het Nederlands elftal staat in de WK-finale, maar loopt de wereldtitel net mis doordat het van Duitsland verliest. Dat wordt goedgemaakt met een Europese titel op het EK van 1988. Het Oranje-elftal van 1998 op het WK in Frankrijk is een veelkleurig elftal dat de multiculturaliteit van Nederland laat zien.

In de zomer van 2017 winnen de Nederlandse vrouwen het Europees Kampioenschap voetbal. Maar liefst 4,1 miljoen kijkers stemmen in Nederland af op de finale en de Leeuwinnen krijgen een grootse huldiging in Utrecht. Deze overwinning betekent de definitieve doorbraak van het vrouwenvoetbal in Nederland. Zo weerspiegelt Oranje door de jaren heen de sportieve en maatschappelijke veranderingen in de Nederlandse polder.

bron: canonvannederland.nl

Canon van Nederland: Europa

Geen nieuwe oorlog meer die Europa verscheurt. Dat is de belangrijkste drijfveer voor een samenwerking die uiteindelijk leidt tot de Europese Unie (EU). Een grote meerderheid van de Nederlanders steunt het lidmaatschap van de EU. Anderen vragen zich af: hoever moet deze samenwerking gaan?

Europese samenwerking
Na de Tweede Wereldoorlog zoeken Europese leiders naar manieren om een nieuwe oorlog te voorkomen. Verschillende politici bepleiten Europese samenwerking en integratie. Er wordt een start gemaakt met samenwerking op het gebied van strategische grondstoffen die nodig zijn om wapens mee te kunnen maken. Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg tekenen in 1951 het Verdrag van Parijs en richten daarmee de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op. Het verdrag bepaalt dat de ondertekenaars de productie van kolen en staal niet meer nationaal regelen, maar overdragen aan de EGKS.

In 1957 ondertekenen de zes leden het Verdrag van Rome. Daarmee is de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) een feit: een douane-unie van de zes landen die vrije handel in alle producten garandeert. Al gauw begint de EEG een gemeenschappelijk landbouwbeleid. De Nederlandse politicus Sicco Mansholt (1908-1995) ontwerpt het om de voedselvoorziening veilig te stellen en de inkomens van boeren door subsidies te verbeteren. De Europese samenwerking wordt steeds intensiever en zal in de jaren die volgen niet alleen over economie gaan, maar ook over cultuur, onderwijs en milieu.

De Europese Unie
Begin jaren negentig is de Nederlandse regering groot voorstander van verdere integratie van Europa. Niet alle lidstaten zijn hierover even enthousiast. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van Europese Gemeenschappen wordt met de ondertekening van het Verdrag van Maastricht in 1992 de Europese Unie (EU) opgericht. De lidstaten willen op het terrein van veiligheid en justitie intensiever samenwerken. En er wordt besloten om een gemeenschappelijke munt, de euro, in te voeren.

Voor een doorvoerland als Nederland is het lidmaatschap van een groot Europees vrijhandelsgebied van enorm economisch belang. Ook andere landen zien de voordelen en het aantal lidstaten van EEG en EU groeit van 6 in 1972 tot 28 in 2013.

De EU heeft grote invloed op het leven van haar inwoners. Ze kunnen gemakkelijker emigreren en reizen binnen de Unie en goederen kunnen zonder grenscontroles overal binnen de EU vervoerd worden. Regelgeving tussen landen wordt afgestemd, waardoor de EU steeds vaker bepaalt wat de nationale overheden van de lidstaten wel en niet mogen doen. Zo zorgt de Nederlandse EU-commissaris Neelie Kroes ervoor dat telecomproviders consumenten niet meer met hoge kosten opzadelen als ze over de grens bellen.

Kritiek
De bemoeienis vanuit ‘Brussel’ wekt regelmatig irritatie. De meeste Europeanen zien zichzelf in eerste instantie als burgers van hun eigen nationale staten. Bij sommige inwoners van de Unie ontstaat het gevoel dat ze de regie kwijtraken aan Europa. Ze verzetten zich tegen verdere integratie; zo wijzen in 2005 de Fransen en de Nederlanders middels referenda een voorgestelde Europese ‘grondwet’ af. De eurocrisis die in 2009 uitbreekt zet het vertrouwen in de EU verder onder druk. Ook het vraagstuk in welke mate lidstaten vluchtelingen moeten opnemen leidt tot diepe verdeeldheid. De Britten stemmen in 2016 voor de ‘brexit’: het uittreden uit de EU. Na een moeizaam proces van politieke onderhandelingen wordt het vertrek in 2020 definitief. Ondanks deze ontwikkelingen is in de meeste van de overgebleven 27 lidstaten de steun voor de EU groot, ook in Nederland. De EU wordt als belangrijk, zelfs onmisbaar, ervaren. Maar over de manier waarop de Europese samenwerking in de toekomst het beste vorm kan krijgen, lopen de meningen sterk uiteen.

bron: canonvannederland.nl

Canon van Nederland: Srebrenica

Terwijl Nederlandse militairen de Bosnische enclave Srebrenica moeten veiligstellen, vallen Servische troepen binnen en vermoorden bijna alle mannen. Het wordt het ergste bloedbad in de naoorlogse Europese geschiedenis. Het aandeel in deze gebeurtenis brengt Nederland in grote verlegenheid en leidt tot een andere manier van deelnemen aan buitenlandse vredesmissies.

Vredesmissies
Het Nederlandse leger heeft vanaf het begin meegedaan aan vredesoperaties van de Verenigde Naties. Nederlandse soldaten maken daarmee deel uit van ruim een miljoen uitgezonden militairen uit zo’n 120 landen. De troepen zien namens de VN toe op naleving van vredesakkoorden in verschillende gebieden. De eerste missie gaat van start in 1948, in Israël. Een van de terugkerende problemen bij deze operaties is het zogenoemde mandaat: als vredestroepen mogen VN-soldaten alleen geweld voor zelfverdediging gebruiken. Ze krijgen weinig militaire ruimte om burgers te verdedigen en te beschermen.

Met het uiteenvallen van de republiek Joegoslavië breekt in 1991 een burgeroorlog uit tussen verschillende deelstaten. Het streven naar onafhankelijkheid gaat in een aantal staten gepaard met veel geweld. In een ervan, Bosnië-Herzegovina, is de strijd tussen verschillende bevolkingsgroepen bijzonder heftig. In 1993 roept de Veiligheidsraad in Resolutie 819 de plaats Srebrenica uit tot ‘veilig gebied’, een zogenoemde enclave. Servische Bosniërs mogen deze stad van de VN niet meer beschieten of belegeren. In deze enclave houden veel Bosniakken (Bosnische moslims) zich schuil. De VN stelt een vredesmacht in die Resolutie 819 in Srebrenica moet handhaven. In 1994 gaat een bataljon Nederlandse troepen, Dutchbat III, naar Srebrenica om deze opdracht op zich te nemen.

Genocide
Dutchbat is lichtbewapend en heeft maar weinig middelen om de vrede rondom Srebrenica te handhaven. In het voorjaar van 1995 beginnen de Servische Bosniërs de bevoorrading van Dutchbat te blokkeren, waardoor hun positie verder verzwakt. Ook proberen de Serviërs Dutchbat op allerlei manieren te intimideren. Op 6 juli 1995 trekken de troepen van de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladić richting Srebrenica. Zonder veel tegenstand trekken de aanvallers de veilige plaats voor Bosniakken zes dagen later binnen. Veel Bosniak-mannen en -jongens proberen tevergeefs te vluchten.

De Serviërs voeren de achtergebleven mannen en jongens af in bussen, nadat ze hen eerst met hulp van de Nederlandse militairen van de vrouwen en kinderen hebben gescheiden. Ze worden samengevoegd met een andere groep gevangen vluchtelingen en niet veel later worden bijna al deze Bosniakken door de Serviërs geëxecuteerd. Het is de grootste massamoord in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. In totaal staan er 8372 namen op het herinneringsmonument bij het nabijgelegen Potočari.

Verantwoordelijkheid
Als in Nederland doordringt welke ramp zich heeft voltrokken, rijst de vraag of de Nederlandse soldaten meer hadden kunnen doen om de enclave te beschermen tegen de Serviërs. Nederlanders vragen zich af of hun land moreel heeft gefaald. Er volgt een grondig onderzoek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dat zes jaar duurt. Het onderzoek wijst onder meer op onduidelijkheid van de VN-opdracht en de onmogelijkheid om die uit te voeren. Dutchbats opdracht was in feite een mission impossible. Als in 2002 het NIOD-rapport verschijnt, neemt premier Wim Kok de politieke verantwoordelijkheid voor de ramp in Srebrenica en treedt af. De Nederlandse regering krijgt meer oog voor de complexiteit van vredesmissies. Voortaan worden alleen nog maar soldaten gestuurd die voldoende bewapend zijn, zoals bij de Nederlandse missies naar Irak en Afghanistan.

Het Joegoslaviëtribunaal veroordeelt in respectievelijk 2017 en 2019 de leiders van de Bosnische Serviërs, Radovan Karadzić en Ratko Mladić, voor hun aandeel in de moorden. Nabestaanden spannen nog steeds rechtszaken aan, omdat ze antwoord willen op vragen rond verantwoordelijkheid en schuld. Srebrenica blijft een open wond.

bron: canonvannederland.nl

Canon van Nederland: het Caribisch gebied

De eilanden die tot 2010 de Nederlandse Antillen vormen, zijn in de zeventiende eeuw door Nederland veroverd. Nog altijd maken ze deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. De banden tussen deze eilanden en Nederland zijn hecht, maar de relatie kent ook spanningen.

Kolonisatie
De zes eilanden zijn allemaal tussen 1631 en 1648 door Nederland veroverd. De Bovenwindse Eilanden – Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten – liggen bijna duizend kilometer noordelijker dan de Benedenwindse Eilanden – Aruba, Bonaire en Curaçao. Samen met Suriname vormen zij wat Nederlanders ‘de West’ noemden. Het zijn in die tijd koloniale bezittingen in het westelijk halfrond, waar de samenleving tot in de negentiende eeuw wordt bepaald door slavernij. Eerst dienen ze als militaire steunpunten, handelsposten en plantagekolonies. Later worden de olie-industrie en het toerisme belangrijk.

Dekolonisatie
De relatie tussen Nederland en deze kolonies is in de tweede helft van de twintigste eeuw ingrijpend veranderd. In de Tweede Wereldoorlog worden Suriname en de zes eilanden niet bezet door Duitsland. Na de oorlog krijgen zij als zogeheten ‘overzeese gebiedsdelen’ regionale autonomie en algemeen kiesrecht. De nieuwe verhoudingen worden in 1954 vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dit is een soort grondwet voor een trans-Atlantisch koninkrijk met autonome rijksdelen.

Net zoals in andere voormalige kolonies groeit echter het verzet tegen de koloniale machtsstructuren. Inwoners zijn ontevreden over het overwicht van Nederlandse bedrijven op de Curaçaose economie terwijl op het eiland veel mensen in armoede leven. Dit leidt in 1969 tot stakingen, die uitmonden in een grote volksopstand. De inzet van driehonderd Nederlandse mariniers om de orde te herstellen, wekt een beeld op van een onderdrukkende koloniale macht. Om verdere confrontaties te voorkomen wil Den Haag van ‘de West’ af.

De zoektocht naar een evenwicht tussen enerzijds onafhankelijkheid en anderzijds het behoud van het oude verband leidt tot een ingewikkeld dekolonisatieproces. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 wordt bijvoorbeeld door een groot deel van de bevolking niet gesteund. Zo’n 300.000 Surinamers komen in de jaren zeventig naar Nederland. De Nederlandse Antillen, zoals de bestuurlijke eenheid van de zes eilanden heet, willen geen onafhankelijkheid en daar blijft het Statuut van 1954 voorlopig van kracht.

Zelfstandig
Elk eiland heeft zijn eigen cultuur en eigen belangen. Aruba, dat economisch welvarend is, voelt zich al decennialang benadeeld door het politieke overwicht van Curaçao. In 1986 krijgt Aruba een zogeheten ‘status aparte’ en sinds 1996 is het een zelfstandig land in het Koninkrijk. Het zoeken naar nieuwe bestuursvormen voor de Nederlandse Antillen is echter nog niet ten einde; elk eiland besluit op den duur dat een aparte relatie met Nederland beter is. Op 10 oktober 2010 wordt het Statuut aangepast en houden de Nederlandse Antillen officieel op te bestaan. Curaçao en Sint Maarten zijn nu ook zelfstandige landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Ze zijn verantwoordelijk voor hun eigen landsbestuur en wetgeving. De kleinere eilanden – Bonaire, Sint Eustatius en Saba – worden formeel onderdeel van Nederland. Deze eilanden hebben echter minder bevoegdheden dan Nederlandse gemeenten, zijn geen onderdeel van de Europese Unie en hebben de Amerikaanse dollar als munt.

De Nederlandse regering – die nog altijd de eindregie heeft – maakt zich zorgen over financiële problemen in het Caribisch gebied. De eilanden ergeren zich op hun beurt aan de slechte voorzieningen en de Haagse bemoeienis. Desondanks heeft Nederland door de lange gezamenlijke geschiedenis en de vele familiebanden sterke banden met deze eilanden. Ruim 160.000 Antillianen wonen in Nederland en een groeiend aantal Nederlanders vestigt zich op de eilanden. Nederland en het Caribisch gebied blijven streven naar betere onderlinge samenwerking.

bron: canonvannederland.nl

Canon van Nederland: kolen en gas

Op 31 december 1974 sluiten de Limburgse mijnen definitief. De laatste wagon met kolen rijdt de mijn Oranje-Nassau I bij Heerlen uit, de allerlaatste lift met mijnwerkers komt omhoog. Nederland vestigt zijn hoop op een andere energiebron: gas.

Steenkool
Hoe verwarm ik mijn huis en mijn eten? Duizenden jaren lang zijn hout en turf in de Lage Landen de meest gebruikte brandstoffen. Pas in de negentiende eeuw worden ze verdrongen door steenkool. Deze fossiele brandstof is in grote hoeveelheden te delven en goedkoper te produceren. Steenkool is bovendien de brandstof voor de industrialisatie: stoommachines draaien erop en treinen komen erdoor in beweging.

Steenkoolwinning brengt vanaf 1900 nieuwe werkgelegenheid naar Nederland, vooral in Limburg, waar twaalf mijnen worden geopend. Decennialang is de mijnbouw een betrouwbare bron van werkgelegenheid. Deze trekt migranten en arbeiders uit allerlei streken, tot aan de Middellandse Zee toe. Steden als Heerlen en Geleen groeien uit tot welvarende en moderne steden en zijn trots op hun nieuwe voorzieningen, zoals ziekenhuizen en scholen.

Sluiten van de mijnen
Maar dan verandert het energielandschap. Onder het land van boer Boon in Slochteren wordt in 1959 een reusachtige voorraad gas gevonden. Dat gas kan gemakkelijk worden opgepompt, en komt uiteindelijk via een leidingnetwerk terecht in vrijwel elk huis, waar het als brandstof dient voor gaskachels en -fornuizen. Voor de industrie blijft steenkool nog wel van belang, maar in het buitenland is dat veel gemakkelijker en goedkoper te winnen. Daarom kondigt de regering in 1965 aan de kolenproductie geleidelijk af te gaan bouwen.

Voor het personeel dat ontslagen wordt, moet nieuw werk worden gezocht. Het gaat om 45.000 arbeidsplaatsen, nog los van de tienduizenden banen die bij toeleveringsbedrijven zullen verdwijnen. Ondanks de overheidsplannen om de werkgelegenheid op peil te houden, wordt de Limburgse mijnstreek vanaf 1975 getroffen door een langdurige economische recessie en sociale achteruitgang. Bovendien veroorzaken de verlaten mijnen nieuwe problemen: het grondwater stijgt langzaam in de sterk vervuilde mijnen waardoor het verontreinigd raakt. Daarnaast tast het grondwater de voormalige mijngangen aan, waardoor er plotseling een mijnverzakking kan ontstaan, een onderaardse holte die instortingsgevaar veroorzaakt. In 2011 verzakt een deel van een winkelcentrum in Heerlen door zo’n zinkgat.

Aardgaswinning
Inmiddels gaat ook de grootschalige aardgaswinning gepaard met aanzienlijke problemen. In Groningen treden verzakkingen in de ondergrond op, waardoor regelmatig aardbevingen ontstaan. De laatste jaren nemen de bevingen in sterkte toe en hebben ze ernstige schade aan woningen en andere gebouwen tot gevolg. Dat zorgt voor onrust onder de Groningers, die verschillende protesten tegen de aardgaswinning organiseren. De overheid wil de gaskraan in 2022 helemaal dichtdraaien.

Nieuwe energiebronnen
De neveneffecten en gevolgen van het gebruik van fossiele brandstoffen – vervuiling, aardbevingen maar ook temperatuurstijging door CO2-uitstoot – zullen nog jaren aandacht vergen. Zowel de Europese Unie als de Verenigde Naties hebben afspraken gemaakt over maatregelen om deze gevolgen te beperken. Overschakelen op nieuwe, duurzame vormen van energie, zoals wind-, waterstof- en zonne-energie, kan daaraan een bijdrage leveren. Hoe deze energietransitie kan worden aangepakt, is een van de belangrijkste vraagstukken van deze tijd.

bron: canonvannederland