Historische vaardigheden: structuurbegrip standplaatsgebondenheid (tijd- en plaatsgebondenheid)

Of een bron betrouwbaar of representatief is, hangt voor een belangrijk deel af van de schrijver/tekenaar van de bron. Wat hij vindt hangt voor een belangrijk deel af van:

  •  in welke tijd hij leeft (tijdgebondenheid);
  •  in welk land of welk gebied hij leef (plaatsgebondenheid);
  •  zijn politieke en sociale ideeën;
  •  of hij gelovig is of niet en bij welke godsdienst hij hoort;
  •  of hij rijk of arm is;
  •  of hij iets te winnen of te verliezen heeft met een bepaald standpunt;
  •  of hij jong of oud is;
  •  of hij man of vrouw is;
  •  wat hij in het verleden heeft meegemaakt;
  •  welk beroep hij heeft;
  •  enzovoorts,

Kortom: een historische persoon moet je altijd plaatsen vanuit zijn eigen achtergrond/zijn standplaats. Daaraan is hij gebonden. De term ‘standplaatsgebondenheid’ wordt de laatste jaren eigenlijk in de eindexamens niet meer gebruikt. Maar wat de term inhoudt komt altijd terug op het examen, meestal als onderdeel van het beoordelen van de betrouwbaarheid van een bron. Een bron is altijd tijd- en plaatsgebonden. Altijd is te beargumenteren waarom de maker van een bron tot een bepaalde inhoud of boodschap komt.

Historische vaardigheden: structuurbegrip representativiteit (van bronnen)

Bij bronnen wordt vaak de vraag gesteld of de bron ‘representatief’ is. Daarmee wordt bedoeld: in hoeverre geeft de bron de mening weer van het grootste gedeelte van de betrokken mensen bij dat onderwerp? Voorbeeld: In zijn brief beschrijft Boswell alleen het veranderde gedrag van Utrechtse regenten, wat de bron minder representatief maakt voor een onderzoek naar de regenten in de hele Republiek.

Let dus goed op in de vraag t.a.v. welk aspect de representativiteit wordt gevraagd. Representativiteit heeft dus te maken met de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van een bron.

In 95% van de gevallen is een bron niet representatief. Er is altijd wel een argument te vinden waarom een bron niet representatief is. Daarbij gaat het om aspecten als:

  •    Het is onduidelijk of het zijn privémening is of dat hij spreekt voor een grotere groep;
  •    Het is onduidelijk of wat hij schrijft voor deze groep/situatie of dat voor iedereen zo ook was.
  •    Het is onduidelijk of dit in andere gebieden ook het geval was;
  •    Het is onduidelijk of hij dit net toevallig zag/hoorde of dat het vaker voorkwam.

Historische vaardigheden: structuurbegrip betrouwbaarheid (van bronnen)

Om achter de betrouwbaarheid van bronnen te komen zijn vijf stappen nodig:

  1. Lees de vraag goed. Het maakt nogal wat uit t.a.v. welk aspect de betrouwbaarheid wordt gevraagd. 
  2. Lees de toelichting bij de bron goed; daar staat veel informatie in.
  3. Bepaal de tijd waaruit de bron komt in relatie met de tijd van de gebeurtenis of de persoon die beschreven wordt. Een ooggetuigenverslag (primaire bron) is het eerste belangrijke criterium voor de betrouwbaarheid.
  4.  Bepaal de auteur/tekenaar van de bron in relatie met de gebeurtenis of de persoon die beschreven wordt. De achtergrond van de auteur (standplaatsgebondenheid) is het tweede belangrijke criterium voor de betrouwbaarheid.
  5. Combineer de gegevens en kom – zo mogelijk – tot een genuanceerd antwoord. Verwerk in het antwoord altijd gegevens uit de bron en de toelichting: Enerzijds is de bron wel betrouwbaar, wat blijkt uit… Anderzijds is de bron niet betrouwbaar, wat blijkt uit…

Historische vaardigheden: structuurbegrip bruikbaarheid (van bronnen)

Bij bronnen wordt geregeld de vraag gesteld of de bron bruikbaar is. Daaronder wordt verstaan of een bron:

  • informatie geeft over een bepaald onderwerp. Dat onderwerp wordt in de vraag aangegeven.
  • betrouwbaar en representatief is (zie hieronder).

Het maakt veel uit t.a.v. welk aspect de bruikbaarheid wordt gevraagd. Dit hangt af van de vraag die erover wordt gesteld: is de bron bruikbaar voor propagandadoeleinden of is het bruikbaar voor een neutraal verslag? Er wordt ook geregeld gevraagd of de bron bruikbaar is om het standpunt van een doelgroep of bepaalde tijd te achterhalen.

Historische vaardigheden: structuurbegrip oorzaken

Oorzaken zijn zaken/factoren waardoor iets in gang wordt gezet. Oorzaken zijn meestal dingen/zaken: economische oorzaken, politieke oorzaken.

  • Als mensen iets in gang zetten, dan wordt gesproken over redenen, motieven (van mensen, regeringen, steden, gilden, enz.).
  • ‘Geef oorzaken’, ‘noem oorzaken’ komen als vraagvorm geregeld voor.
  • Vaak komt het woord ‘oorzaak ’niet voor in de vraag, maar wordt toch naar oorzaken, redenen of motieven gevraagd. Dit gebeurt met vraagvormen als: waardoor, geef een verklaring, verklaar.
  • Vaak wordt naar een bepaald type oorzaak gevraagd, waarbij vooral de eerste in onderstaand rijtje de allerbelangrijkste is:             
    • politieke
    • economische
    • sociale oorzaken
    • hoofdoorzaken en oorzaken van minder belang
    • binnen- en buitenlandse oorzaken.

In bijna geen enkele situatie is er maar één oorzaak (monocausaliteit), maar zijn er meer oorzaken (multicausaliteit). Daarom zijn die verschillende soorten oorzaken belangrijk.

Vragen over indirecte, directe oorzaken en ‘aanleiding’ (meest directe oorzaak) kwamen de laatste jaren bijna niet meer voor op het eindexamen.