Kenmerkend aspect 12: het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur

In Gallië leefden Keltische en Germaanse stammen. In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen weg door invallen van grote stammen (volksverhuizingen). Er was geen centraal leger dat de invallers kon tegenhouden, dus mensen sloegen op de vlucht waardoor de voedselvoorziening en handel instortten. De Franken namen Gallië. Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk slaagde o.a. Frankische koning Clovis (481 – 511) om grote gebieden in Europa met elkaar te verbinden en als rijk te besturen. Om zijn macht te behouden, had Clovis steun nodig van zijn krijgslieden (vazallen). Alle vazallen legden een eed van trouw af aan de koning. Na zijn dood werd zijn rijk verdeeld, met uiteindelijk Karel Martel als vorst. Hij had veel oorlogen en een leger van ruiters was dus noodzakelijk. Ridders wilden zich alleen binden als er een leen/feodum (een stuk land) tegenover stond. De koning was de leenheer, de ridder was de leenman. Dit is het feodale stelsel.

Karel de Grote verdeelde zijn rijk in 400 graafschappen met ieder een graaf (koninklijk gezag handhaven). Zij werden gecontroleerd door zendgraven (reizende controleurs). Markgraven kregen het land aan de grenzen in leen om het gebied te verdedigen. Als de koning rondreisde, verbleef hij in de palts (burchten) die voor hem gebouwd waren. Karel de Grote kreeg veel aanzien door zijn gebiedsuitbreiding en georganiseerde bestuur. In 773 hielp Karel de paus bij het verdedigen van Rome. Wederom in 800, en toen werd hij door de paus tot keizer gekroond. Dit zou hem in conflict brengen met de keizer van het Byzantijnse Rijk (het Oost-Romeinse Rijk). Hun hoofdstad, Constantinopel, lag gunstig aan de doorgang tussen de Middellandse en Zwarte Zee, een handelsroute. Het rijk was verzwakt door interne conflicten.

Leenmannen werden machtig en wilden hun gebied graag afstaan aan zijn zoon. Hierdoor zouden koningen de controle verliezen, wat bij de sterke koningen geen probleem was. Leenmannen gingen uiteindelijk achterleenmannen benoemen die trouw zwoeren aan hun lokale heer. Dit werd een bedreiging van de eenheid. Ook vanaf zee werd het rijk bedreigd door Noormannen. Zij kwamen voor voedsel. Uiteindelijk kregen ook zij land in leen, zodat de plunderingen zouden stoppen.

bron: geschiedeniswerkplaats

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.