Kenmerkend aspect 23: het streven van vorsten naar absolute macht

De machtsverhouding tussen koning en parlement stonden vaak ter discussie. De koning wou centraliseren, maar het parlement wou zijn invloed op het bestuur niet inleveren. Er was behoefte aan stabiliteit, omdat er telkens strijd was tussen katholiek en protestant. Nieuwe politieke opvattingen stellen dat de soevereiniteit in een staat haar meest stevige vorm kan krijgen in handen van een absolute vorst die eenduidig de wetten voor het hele land kan maken.

In Frankrijk heerste sinds Lodewijk XIV (1638 – 1715) het absolutisme: alle macht was in handen van de koning. De koning had het droit divin (goddelijke macht). De Staten-Generaal bleef bestaan, maar werd niet meer bijeengeroepen. Hij was de belangrijkste opdrachtgever wat betreft wetenschap en kunst. De kunsten werden door hem gestimuleerd, maar ze moesten de koning dan wel verheerlijken en idealiseren zodat het zou bijdragen aan het absolutisme. Zijn politiek draaide om gebiedsuitbreiding. Zo vielen ze in 1672 (het Rampjaar) de Republiek binnen. In 1678 werd een vrede gesloten, omdat hij er niet in lukte heel de Republiek te veroveren. De Republiek kreeg alle gebieden en rechten terug. Ook wou Lodewijk XIV maar één geloof in zijn rijk: het katholicisme. Hij herriep in 1685 het Edict van Nantes en de hugenoten kregen de keus: of zich bekeren tot het katholicisme of vertrekken. Een groot gedeelte vluchtte naar de Republiek. Frankrijk liep economische schade op en Lodewijk XIV verloor zijn macht.

In Engeland was de macht van koning beperkt door het parlement. Toen Jacobus II enigszins absolutistisch ging regeren, werd stadhouder Willem III (1672) uitgenodigd. Hij zette Jacobus II af en werd in 1688 koning van Engeland, Ierland en Schotland. Dit noemt men de Glorious Revolution. Hij moest wel de Bill of Rights tekenen waar hij het Parlement alle macht gaf.

bron: geschiedeniswerkplaats

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.