Kenmerkend aspect 41:racisme en discriminatie die leiden tot genocide, in het bijzonder op de joden

Racisme groeit eind 19e eeuw als een extreme vorm van verheerlijking van de eigen natie en het eigen volk. In de westerse landen heerst de overtuiging dat het eigen volk/ras superieur is. Hitler en aanhangers willen geloven dat binnen het blanke ras ‘het Arische ras’ (übermenschen) het meest begaafd zijn. Zodra Hitler en de nazi’s aan de macht (1933) komen, komen er antisemitische maatregelen (boekverbranding).

In 1935 worden de Neurenberger wetten ingevoerd wat o.a. huwelijk tussen jood en niet-jood verbied. In 1938 vond de Reichskristallnacht plaats, waarbij joodse winkels en bedrijven geplunderd en verwoest werden en joden in Duitse concentratiekampen werden opgesloten. Ook in gebieden die Duitsland bezette voerde Hitler racistische en antisemitische maatregelen in:

  • Registratie van joden
  • Isolement: beperkende maatregelen voor joden en de invoering van de Jodenster
  • Concentratie: joden op één plek
  • Deportatie naar concentratiekampen en uiteindelijk vernietigingskampen

Op de Wannsee conferentie (1942) wordt de definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk opgelost: Endlösung. Er wordt besloten over te gaan op genocide.

bron: geschiedeniswerkplaats