Historische vaardigheden: Bronnenopdrachten (Tekst- en Beeldbronnen)

  • Bronnen moet je altijd goed lezen (tekstbronnen) of bekijken (beeldbronnen).
  • Bij bronnen moet je altijd goed de titel en de toelichting lezen. Daar staan veel aanwijzingen voor het goede antwoord in.
  • Als gevraagd wordt “Leg dit uit aan de hand van de bron” of “Ontleen aan de bron”, dan altijd iets uit de bron noemen waaruit dit blijkt. Doe je dit niet, dan krijg je geen punten. Schrijf dus altijd voor de zekerheid: “In de bron staat/zie je ….., dus …… “
  • Een vraag/bron kan over verschillende onderwerpen gaan. Lees altijd de vraag goed. Je kunt in de les een bron hebben gehad die over een bepaald onderwerp ging, maar op het examen kan diezelfde bron over een ander thema gaan.
  • Je moet soorten bronnen kennen (geschreven/ongeschreven, primair/secundair, direct/indirect, overheid/privé, enz.).
  • Je moet de waarde van bronnen kennen ten aanzien van bepaalde beweringen en vragen. Het gaat dan vooral om de bruikbaarheid, betrouwbaarheid en de representativiteit van de bron.

Historische vaardigheden: ‘bewering- en uitspraakvragen’ bij tekst- en beeldbronnen

Bij veel tekst- en beeldbronnen wordt bij de vraag eerst een bewering of uitspraak gedaan. Je moet vervolgens zeggen of die bewering/uitspraak klopt met wat in de bron staat.

  1. Begin je antwoord door eerst de bewering op te schrijven.
  2.  Schrijf daarna: en in de bron staat
  3.  Sluit af met een conclusie: dus is de bewering volgens de bron juist /onjuist.
  4.  Kijk in de kantlijn naar het aantal punten dat je kunt halen.

  

Historische vaardigheden: tekst- en beeldbron vragen

  1. Lees de vraag goed.
  2.  Lees de bron goed, ook de titel, het onderschrift en de toelichting.
  3.  Begin je antwoord met het opschrijven van de vraag.
  4.  Schrijf altijd in je antwoord: In de bron staat (citeer uit de bron)
  5.  Kijk in de kantlijn naar het aantal punten. Zitten er in je antwoord ook zoveel elementen?