Historische vaardigheden: Bronnenopdrachten (Tekst- en Beeldbronnen)

  • Bronnen moet je altijd goed lezen (tekstbronnen) of bekijken (beeldbronnen).
  • Bij bronnen moet je altijd goed de titel en de toelichting lezen. Daar staan veel aanwijzingen voor het goede antwoord in.
  • Als gevraagd wordt “Leg dit uit aan de hand van de bron” of “Ontleen aan de bron”, dan altijd iets uit de bron noemen waaruit dit blijkt. Doe je dit niet, dan krijg je geen punten. Schrijf dus altijd voor de zekerheid: “In de bron staat/zie je ….., dus …… “
  • Een vraag/bron kan over verschillende onderwerpen gaan. Lees altijd de vraag goed. Je kunt in de les een bron hebben gehad die over een bepaald onderwerp ging, maar op het examen kan diezelfde bron over een ander thema gaan.
  • Je moet soorten bronnen kennen (geschreven/ongeschreven, primair/secundair, direct/indirect, overheid/privé, enz.).
  • Je moet de waarde van bronnen kennen ten aanzien van bepaalde beweringen en vragen. Het gaat dan vooral om de bruikbaarheid, betrouwbaarheid en de representativiteit van de bron.