Kenmerkend aspect 48: de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw aanleiding geeft tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen

Vanaf 1949 – 1973 is de periode van economische groei in West-Europa. Door automatisering, rationalisatie, het werken in ploegendiensten en schaalvergroting in de landbouw en het bedrijfsleven stijgt de jaarlijkse productie in alle sectoren. Door de welvaartsgroei kon de overheid de Nederlanders een uitgebreid pakket aan sociale voorzieningen bieden: AOW, kinderbijslag, werkloosheidsuitkeringen en een regeling voor arbeidsongeschikten. Dit is de verzorgingsstaat. We kwamen langzaam aan terecht in een consumptiemaatschappij.

  • Politiek-economische veranderingen vanaf de jaren ’60:
  • De overheid groeit en gaat een grotere maatschappelijke rol spelen
  • Opbouw van de verzorgingsstaat en dus uitbreiding van de sociale wetgeving
  • Door verlenging van de leerplicht wordt het onderwijsniveau hoger
  • Sociaal-culturele veranderingen vanaf de jaren ’60:
  • Door de toenemende welvaart ontstaan er jongerenculturen en de protestgeneratie. Jongeren hebben minder respect voor ouders, leraren, politie en politici.
  • Tweede Feministische golf: jonge vrouwen willen gelijke kansen in de maatschappij op het gebied van werk, buitenshuis en loon.
  • Vrijere opvattingen over huwelijk en seksualiteit

Deze sociaal-culturele veranderingen leiden tot verdergaande democratisering, individualisering, deconfessionalisering, ontkerkelijking, ontzuiling en grotere arbeidsparticipatie van vrouwen.

bron: geschiedeniswerkplaats