Kenmerkend aspect 46:de dekolonisatie die een eind maakt aan de westerse hegemonie in de wereld

Algerije

Algerije was de belangrijkste kolonie van Frankrijk. Er woonden veel Fransen en andere nationaliteiten. Vanwege het opkomende nationalisme, kwam Algerije op tegen de overheersing. Dit leidde tot de oorlog tussen Frankrijk en Algerije (1954 – 1962). Pas toen Charles de Gaulle aan de macht kwam, werd het zelfbeschikkingsrecht van Algerije bespreekbaar. Na een hevige, bloedige strijd werd Algerije in 1962 onafhankelijk verklaard.

China

Van 1945 – 1949 was er in China een burgeroorlog tussen de nationalistische Chiang Kaisjek en de communistische Mao Zedong. De communisten wonnen en tegenstanders vluchtten naar Taiwan.

De communisten wonnen en Mao riep in 1949 de Volksrepubliek uit (gesteund door de SU). Chiang Kaisjek vluchtte naar Taiwan en stichtte daar de Republiek China (gesteund door de VS). In 1958 was de Grote Sprong Voorwaarts waarin het boerencommunisme werd verheerlijkt. Ook kondigde Mao Zedong de Permanente Revolutie aan, waarmee hij wou aangeven dat China een communistische heilstaat was, omdat de revolutie nooit zal stoppen. De Volksrepubliek kwam o.a. hierdoor in een internationaal isolement terecht. De SU brak met de Volksrepubliek China, omdat:

  • Mao Zedong nam afstand van de Sovjet-politiek van vreedzame co-existentie.
  • Er kwam onderlinge rivaliteit om het leiderschap van de internationale communistische beweging.
  • Ze wilden het communisme op verschillende wijzen in de praktijk brengen: de SU zagen de industriearbeiders als motor, China zagen de boeren als motor.

In 1966 kwam de culturele revolutie op in China. Mao Zedong riep jongeren op om zich te mobiliseren en de revolutie te gaan leiden. Zij moesten het communisme aan de mensen overbrengen. Mao liet het leger uiteindelijk ingrijpen. De Republiek China kreeg een zetel in de VN. Voor de VS was, ondanks de breuk, de Volksrepubliek China even gevaarlijk als de SU. De Amerikaanse containmentpolitiek breidde zich uit: Europa en Azië moesten nu beschermd worden tegen het communisme.

De dominotheorie (1954): als één land communistisch werd, zou een hele reeks landen als dominostenen voor het communisme ‘omvallen’: Indochina (Vietnam, Laos en Cambodja), Thailand, Birma, Maleisië en Indonesië. De VS en de SU gebruikte de volgende middelen om hun belangen in Zuid-Oost-Azië te behartigen:

  • Economische hulp geven (SU alleen aan China, Noord-Vietnam en Noord-Korea)
  • Steunen of oprichten van marionettenregeringen: regeringen die geen zelfstandig beleid konden voeren. Ze waren afhankelijk van de steun van grote mogendheden.
  • Militaire steun en eventueel militair ingrijpen.

Koreaanse oorlog (1950 – 1953)

Ook wel de ‘vergeten oorlog’. Korea was opgedeeld in Noord (door SU opgerichte communistische staat) en Zuid (dictatuur gesteund door de VS). In 1950 trok het Noord-Koreaanse leger de grens (38ste breedtegraad) over naar Zuid-Korea. De VN werd bij elkaar geroepen om Zuid-Korea te helpen. De SU kon haar vetorecht niet uitspreken, omdat ze de Veiligheidsraad had geboycot na een veto van de VS tegen de toelating van de Volksrepubliek China. Een VN-leger schoot Zuid-Korea te hulp. Het VN-leger wist de Noord-Koreanen te verdrijven tot de grens van China en Noord-Korea. China stuurde toen een leger om het VN-leger weer te verdrijven tot achter de 38ste breedtegraad. In 1953 werd een wapenstilstand bereikt. De gevolgen van de Koreaanse Oorlog:

  • Gevolgen voor Korea

Noord- en Zuid-Korea bleven gescheiden. Er vielen veel doden en de armoede steeg.

  • Gevolg voor de houding van het Westen

De vrees voor het communisme nam toe

  • Gevolgen voor de buitenlandse politiek van de VS

West-Duitsland kreeg toestemming om een leger op te richten. In Azië nam de VS anti-communistische maatregelen: meer steun aan Taiwan, meer steun aan de Fransen in Vietnam en in een vredesverdrag met Japan werd vastgelegd dat de VS luchtmachtbases in Japan behielden.

Vietnam

Vietnam werd in WOII bezet door Japan. Ho Tsji Minh richt dan een militaire organisatie op: de Vietminh, met als doel Vietnam te bevrijden van de Franse en Japanse bezetters. In 1945 riep hij Democratische Republiek Vietnam uit. De aanhangers van Ho Tsji Minh verzamelen zich in het noorden van Vietnam. Frankrijk wil hun kolonie terug en stuurde een leger naar Vietnam, benoemde een Vietnamese regering (voor Frankrijk) en zette een Zuid-Vietnamees leger op de been. In Dien Bien Phoe werd het Franse leger verslagen (mei 1954). De Fransen trokken zich terug. De toekomst van Vietnam werd besproken op een Conferentie in Genève. Hier kwamen de Akkoorden van Genève (juli 1954). 3 belangrijke bepalingen:

  1. De nieuwe grens van Vietnam: de 17de breedtegraad
  2. Zowel Noord als Zuid moesten neutraal zijn
  3. Binnen 2 jaar zouden democratische verkiezingen gehouden worden, om Vietnam te herenigen onder een zelf gekozen regering

Na 1954 werd Noord-Vietnam een communistische staat o.l.v. Ho Tsji Minh en Zuid-Vietnam werd autoritair geregeerd door de katholieke Ngo Dinh Diem. Hij werd gesteund door de VS. De democratische verkiezingen werden tegengehouden door de VS en de Zuid-Vietnamese regering, omdat ook zij verwachtten dat Ho Tsji Minh de verkiezingen zou winnen. Een verenigd Vietnam zou dus een communistische staat worden, waardoor de dominotheorie in werking zou worden gezet. In 1960 werd in Zuid-Vietnam een volksbevrijdingsleger opgericht, de Vietcong, gesteund door Noord-Vietnam. Zij bleken voor Zuid-Vietnam onverslaanbaar, omdat:

  • Zuid-Vietnam de toevoer van wapens voor de Vietcong niet kon tegenhouden
  • De dictatoriale Zuid-Vietnamese regering niet gesteund werd door de bevolking

President Johnson besloot dat een echte oorlog noodzakelijk werd: bombarderen en troepen-interventie. De weg tot het bombarderen en het sturen van grondtroepen werd voor president Johnson vrijgemaakt door 3 factoren:

  • Het Tonkin-incident (1964)

Noord-Vietnamese torpedo-aanvallen op marineschepen van de VS

  • De Tonkin-resolutie

De resolutie gaf president Johnson de bevoegdheid alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de agressie in Zuid-Oost-Azië tegen te houden.

  • De verkiezingsoverwinning van Johnson

Johnson had bij de presidentsverkiezingen een grote overwinning behaald en vertrouwde erop dat het Congres en het volk zijn maatregelen zouden goedkeuren.

De luchtmacht van de VS werd ingezet voor massale bombardementen ( Rolling Thunder 1965 – 1968) met als doel Noord-Vietnam zo te bombarderen dat het zijn steun aan Vietcong zou beëindigen. Grondlegers werden ingezet om de Vietcong en Noord-Vietnamese soldaten uit te schakelen. Het lukte de VS niet om deze oorlog te winnen, omdat men niet op kon tegen de guerrilla-tactiek van Noord-Vietnam en ze geen steun kregen van het volk. Op de televisie in de VS en in het Westen werden dagelijks heftige oorlogsbeelden getoond, wat voor massale protesten zorgden.

President Nixon (1968) wou de oorlog met een eervolle vrede beëindigen. Allereerst nam het versterkte Zuid-Vietnamese leger de strijd van de VS over. Om Noord-Vietnam tot onderhandelingen te dwingen, liet Nixon Noord-Vietnam en de aanvoerlijnen in Cambodja en Laos bombarderen. In 1972 bezocht Nixon Beijing en Moskou. Dit was het begin van de Amerikaanse driehoeksdiplomatie: om de Vietnamoorlog een eervol einde te geven, moesten zowel de SU als de Volksrepubliek China druk uitoefenen op de leiders van Noord-Vietnam om zich soepeler op te stellen bij de vredesonderhandelingen. Voor elke prestatie die Amerika leverde, werd een tegenprestatie verwacht (pingpongdiplomatie). De VS verbetert de relatie met de SU door wapenvermindering  en gunstige handelsvoorwaarden te bespreken. Als tegenprestatie voert de SU druk op Noord-Vietnam uit. De VS verbetert de relatie met China door de Volksrepubliek als wettige China te erkennen en hun een permanente zetel in de VN te geven. Ook Volksrepubliek China moest als tegenprestatie meer druk uitvoeren op Noord-Vietnam. In januari 1973 werden de Parijse Akkoorden ondertekend.

Gevolg:

  • In 1975 veroverde Noord-Vietnam Zuid-Vietnam en werd Vietnam één communistische staat.
  • De VS beschouwde niet langer ieder bewind als een geschikte bondgenoot tegen het communisme.

Afrika

Ook in Afrika is de Koude Oorlog merkbaar en proberen de VS en de SU hun invloed uit te breiden. Veel voormalige koloniën waren blij met hun onafhankelijkheid, maar kozen er toch voor om zich ‘aan te sluiten’ bij één van de machtsblokken. Ze kozen voor het machtsblok dat het beste bij hun land pasten qua ideologie, economie en godsdienst. De meeste Afrikaanse landen kozen voor het Westen. Er waren wel een aantal landen die zich bij de SU aansloten, maar uiteindelijk toch naar het Westen overliepen.

  • Ethiopië

In 1974 was Ethiopië een republiek, gesteund door de SU, maar er heerste een burgeroorlog en de SU verloor hun interesse. In 1991 werd de communistische regering afgezet.

  • Angola

In 1975 werd Angola na een lange strijd onafhankelijk. De belangrijkste bevrijdingsbewegingen zijn de linkse MPLA (gesteund door SU en Cuba) en de rechtse FNLA (gesteund door VS en Zuid-Afrika). Er breekt een burgeroorlog uit (1975 – 2002).

  • Mozambique

In 1975 werd Mozambique onafhankelijk en kreeg een communistische regering de macht. In 1994 kwamen er democratische verkiezingen en een meerpartijenstelsel.

  • Namibië

In 1966 was er gewapend verzet van de communistische bevrijdingsbeweging tegen hun overheersers Zuid-Afrika. De communisten hadden de macht tot 1990, toen werd Namibië ook een onafhankelijke staat met democratische verkiezingen.

Sinds 1948 was het regime van apartheid in Afrika (blank boven zwart). Verzet, onder leiding van Nelson Mandela, hiertegen werd bloedig neergeslagen

bron: geschiedeniswerkplaats

Kenmerkend aspect 44:vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme

Na de overwinning van Japan in de Russische-Japanse oorlog leefde het nationalisme op. Deze nationalisten werden beïnvloed dor het communisme dat zich tegen het kolonialisme/imperialisme keerde en opkwam voor de armen in de samenleving. Ook de snelle overwinningen van Japan inspireerde hen. Na de capitulatie van Japan (augustus 1945) kwamen ontstonden er onafhankelijkheidsbewegingen in de koloniën die zich verzette tegen de terugkeer van de Westerse koloniale machten. De onafhankelijkheidsoorlogen in Azië hadden dekolonisatie als gevolg:

  • 1947: Onafhankelijkheid van India en Pakistan erkend door Groot-Brittannië, verzet georganiseerd door Mahatma Gandhi
  • 1949: Onafhankelijkheid van Indonesië erkend door Nederland
  • 1954: Tijdelijke terugtrekking van Frankrijk uit Vietnam tot de Vietnamese oorlog

Door de economische crisis en de Tweede Wereldoorlog verzwakte Europa. Onafhankelijkheidsbewegingen (nationalisme) in Nederlands-Indië, Brits-Indië (Pakistan, India) en Vietnam verzetten zich na de capitulatie van Japan met succes tegen de terugkeer van West-Europese koloniale machten. Er ontstaat dekolonisatie. Engeland kwam zelf tot het inzicht dat de tijd van het kolonialisme voorbij was. Zij trokken zich zonder geweld terug uit hun koloniën en gaven hen onderwijs. De SU en de VS besloten anti-koloniale bewegingen te steunen. Dit deden ze, zodat ze hun ideologie konden verspreiden, hun macht konden vergroten en het handelsgebied konden uitbreiden.

Indonesië

In 1945 werd door Soekarno en Hatta de Republik Indonesia uitgeroepen. Nederlandse troepen werden naar Indonesië gestuurd en kregen Java en Sumatra onder militaire controle. Vervolgens namen ze Soekarno gevangen. Er kwamen veel bloedige gevechten waar, dankzij de VS, een einde aan werd gemaakt in 1949. De VS koos namelijk de kant van de nationalisten en zette Nederland onder druk door te dreigen de Marshallhulp in te trekken. In 1949 erkende Nederland Republik Indonesia als onafhankelijke staat. Vanaf nu zagen de Indonesiërs en Nederlanders elkaar als vijanden. In 1962 werd de Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea onder Indonesisch bestuur.

bron: geschiedeniswerkplaats