Kenmerkend aspect 15: het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoort te hebben

God had zijn macht in tweeën verdeeld (tweezwaardenleer):

  • Geestelijke macht: de paus had de heerschappij kerk en gelovigen. De hiërarchie was als volgt: paus, bisschoppen, pastoors en kapelaans.
  • Wereldlijke macht: de keizer had de bestuursmacht over landen en mensen. De hiërarchie was als volgt: keizer, koning, hertog en graaf.

In 1054 ontstond het Oosters Schisma: scheiding tussen de oostelijke kerk en de westerse kerk met als hoofd de paus. Rond 1100 gaan de paus in Rome en diverse West-Europese vorsten de strijd aan over wie nu de hoogste wereldlijke macht heeft. De inzet is wie het recht heeft om bisschoppen te benoemen (de investituur). Onder Gregorius VII was deze investituurstrijd het felst. Toen Duitse koning Hendrik IV (1050 – 1106) bleef bisschoppen benoemen en werd in de kerkelijke ban gedaan. Het kasteel in Canossa diende als plaats van verzoening. Na 3 dagen boetedoening werd de ban opgeheven. In 1084 nam hij wraak en bezette Rome. Hij benoemde Clemens III als nieuwe paus en werd door hem ook tot keizer gekroond. De investituurstrijd eindigde in 1122 met het Concordaat van Worms. De paus zou bisschoppen benoemen en de investituur verrichten (ring, mijter en staf overhandigen). Daarna mocht de keizer de nieuwe bisschop de scepter overhandigen als teken van wereldlijke macht.

bron: geschiedeniswerkplaats