Kenmerkend aspect 27:rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat wordt toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen

Door de wetenschappelijke revolutie werd er over de maatschappelijke verhouding kritisch nagedacht. Filosofen gingen zich richten op nadenken met het gezonde verstand: het rationalisme. Zo keerde Voltaire zich tegen de religieuze onverdraagzaamheid. Hij vond dat geen enkel geloof zich boven het ander mag stellen. In de Verlichting ontstond het atheïsme (er is geen God) en het deïsme (God heeft de aarde geschapen en daarna verlaten).

Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778) kwam op het sociale contract: alle macht is van het volk afkomstig en alle mensen zijn van nature gelijk. Naturalisme: de mens wordt slecht gemaakt door de omgeving. Ook kwam hij met de volkssoevereiniteit: de koning had zijn macht van het volk gekregen, niet van God.

John Locke (1632 – 1704) zei dat iedereen voor de wet gelijk was, dus ook de koning. De Engelse staatsinrichting was het voorbeeld: alle standen betaalden belasting en de volksvertegenwoordiging mocht wetten maken en goedkeuren.

Montesquieu (1689 – 1755) vond dat de macht verdeeld moest worden: trias politica:

  • Wetgevende macht lag bij het volk of de vertegenwoordigers van het volk
  • Uitvoerende macht lag bij de koning en zijn ministers
  • De rechterlijke macht moest onafhankelijk zijn

De verlichtingsideeën werden verspreid door boeken (Encyclopédie van Diderot), toneelstukken en salons.

bron: geschiedeniswerkplaats