Kenmerkend aspect 29:uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonies en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

Begin 17e eeuw komen de eerste Engelse kolonisten aan bij de oostkust van Noord-Amerika en maken van Virginia de eerste Engelse kolonie van Amerika. Niet lang daarna volgen Duitsers, Zweden, Fransen en Nederlanders; ook zij stichten hier hun kolonies. Er ontstaan grote plantagekolonies, die luxeproducten (suiker, rum, cacao, katoen, goud en tabak) voor de moederlanden in Europa produceren en het werk laten doen door Afrikaanse slaven. De trans-Atlantische slavenhandel nam toe.

De plantage-economie in Noord-Amerika belandde in een crisis, omdat de tabaksteelt de grond had uitgeput. In 1793 werd de cotton gin uitgevonden: een machine die katoenzaden machinaal uit de plukken katoen haalde. Door de groeiende textielindustrie in Engeland werd er overgegaan op katoenhandel. De slavenhandel was echter een kritisch punt.

Het zuiden van Noord-Amerika was voor slavenhandel. Zo zei Hugo de Groot dat slavenhandel gunstig was voor de slaven, want slavernij redde krijgsgevangenen en misdadigers van de dood. In het noorden van Noord-Amerika waren ze tegen de slavernij.

In de Verlichting kwamen de abolitionisten op, die voor het afschaffen van slavernij waren. Afschaffing van slavernij was een oorzaak van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 – 1865). President Lincoln (1809 – 1865) schafte in 1863 de slavernij af. In de Nederlandse gebieden duurt het tot 1863 voordat er een einde komt aan de slavernij.

bron: geschiedeniswerkplaats