Kenmerkend aspect 14: de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

De stedelingen krijgen van de leenheren eigen rechten, zoals stadsrecht. Met stadsrecht mochten de stedelingen zelf de regels voor bestuur maken en eigen rechtspraak houden. In ruil voor deze privileges moesten de stedelingen de landsheer financieel en militair steunen.

Boeren vertrokken van het platteland naar de stad. Om te voorkomen dat er geen arbeidskrachten meer overbleven, moest de adel de belastingen en herendiensten op het platteland wel verminderen. In de steden ontstonden gildes. Een gilde is een samenwerkingsverband van ambachtslieden met hetzelfde beroep in een stad. Er ontstaan zelfs volledig onafhankelijke stadstaten.

In steden werden door de graven patriciërs (rijkste burgers) tot schepenen (bestuurders en rechters van de stad) gekozen. Nadat deze kleine elite dit recht misbruikte werd er een stadsraad ingesteld, waarin de gilden het financiële beheer van de schepenen konden controleren.

Guldensporenslag is een voorbeeld van hoe steden meer vrijheid konden krijgen. De Franse koning wou zijn macht in Vlaanderen vergroten en kreeg steun van de patriciërs in de Vlaamse steden. De graaf van Vlaanderen verzette zich en kreeg de steun van het volk. Het Vlaamse volksleger versloeg de Fransen en kreeg een vergroting van de bestuursmacht voor ambachtslieden.

bron: geschiedeniswerkplaats