Kenmerkend aspect 36:de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme

Na het Congres van Wenen (1815) werd de traditionele standenmaatschappij hersteld. Burgers komen in verzet met als gevolg de opkomst van nieuwe politiek-maatschappelijke stromingen:

  1. Opkomst van het liberalisme. Doel: een samenleving met een zo groot mogelijke individuele vrijheid op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied.
  2. Opkomst van het socialisme. Doel: een rechtvaardige samenleving met een zo groot mogelijke gelijkheid voor alle mensen op aarde. Karl Marx en Friedrich Engels legde de basis voor het socialisme. Marx voorspelde dat het proletariaat in opstand zou komen en dat deze klassenstrijd zou leidden tot een communistische heilstaat: geen heersers en alle productiemiddelen zijn gemeenschappelijk bezit. Er ontstond een tweedeling. Enerzijds de sociaaldemocraten die deze klasseloze samenleving wilden bereiken via de parlementaire weg. Anderzijds de communisten die de leer van Marx volgden. Domela Nieuwenhuis richtte de Sociaal Democratische Bond (SDB) op.
  3. Opkomst van het confessionalisme. Doel: een christelijke samenleving, waarin protestanten en katholieken zich, los van elkaar, zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen.

De Nederlandse samenleving wordt een verzuilde samenleving. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de 4 politieke stromingen genoodzaakt samen te werken. Ze losten in deze tijd de Schoolstrijd en de kiesrechtkwestie op. In 1917 kwam het algemeen mannenkiesrecht. In 1918 werd er volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging gekozen, waardoor de confessionele partijen aan de macht kwamen. In 1889 komt de Arbeidswet tot stand.

Na de overwinning op Napoleon kwamen Duitse oorlogsvrijwilligers terug met de gedachte: Duitsland moet een eenheid worden, een staat. Er ontstonden Burschenschaften: studenten die in Middeleeuwse kledij het Duitse verleden verheerlijkten. Het nationalisme kwam samen met de Romantiek op. Zowel het nationalisme als de Romantiek haalde zijn inspiratie uit de geschiedenis en cultuur van hun eigen volk. Later kwam ook het politiek nationalisme op. In 1834 kwam er een Zollverein (douane-unie). In 1848 werd in Frankfurt een parlement gesticht. Er kwam echter geen Duitse eenheid tot stand, want de Pruisische koning weigerde de aangeboden keizerstitel. Hij vond dat alleen God hem deze titel kon geven. In 1862 trad Otto von Bismarck aan als minister-president. Hij was junker en had dus een militaire opvoeding genoten. Volgens hem was een oorlog met Oostenrijk en Frankrijk de enige manier om een Duits keizerrijk te kunnen vormen. In 1866 was de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog, die Pruisen won. Op 18 juli 1870 verklaarde Frankrijk Pruisen de oorlog: de Frans-Duitse Oorlog. Frankrijk verloor en moest Elzas-Lotharingen afstaan en schadevergoedingen betalen. De overwinning voor Duitsland bracht eensgezindheid met zich mee. Op 18 januari 1871 werd koning Wilhelm I van Pruisen in de Spiegelzaal in Versailles uitgeroepen tot keizer van Duitsland.

bron: geschiedeniswerkplaats