Kenmerkend aspect 19:het veranderende mens- en wereldbeeld van de Renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling

In de Middeleeuwen stond ‘memento mori’ (gedenk te sterven) centraal. Dit zal in de Renaissance omslaan naar ‘carpe diem’ (pluk de dag). Met de opkomst van rijke steden, handel en culturele uitwisseling groeit bij de elite van Europa het besef dat het individu een eigen rol kan spelen in de samenleving. Religie blijft een vooraanstaande rol spelen in het dagelijks leven.

Ondanks de wedergeboorte van de klassieke kunst, waren er verschillen. Er werd gebruik gemaakt van perspectief, maar ook van gelaatstrekken en emoties in de geschilderde gezichten. In deze tijd kwamen er homo universalis: volmaakte mens. Zij waren architect, kunstenaar en wetenschapper zoals Michelangelo en Leonardo da Vinci. De kerk beschikte niet meer over alle kennis. Zo ontstond het humanisme, de mens komt centraal te staan.

Humanistisch onderzoek vernieuwde het geestelijke en godsdienstige mensbeeld. Arts Vesalius onderzocht op dode mensen in het geheim om zo meer te ontdekken. De humanistische ideeën, uitvindingen en wetenschappelijke ideeën konden snel hun weg vinden naar de mensen door het ontstaan van de boekdrukkunst. Een bekende humanist was Thomas More die kritiek gaf op het gezag van de kerk en de koning in zijn boek Utopia. Copernicus kwam in conflict met de kerk. Hij beweerde namelijk dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt was (heliocentrisch wereldbeeld).

bron: geschiedeniswerkplaats

Kenmerkend aspect 4:de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat

Portrait of Socrates. Marble, Roman artwork (1st century), perhaps a copy of a lost bronze statue made by Lysippos

Vanaf 850 voor Christus ontstaan er in Griekenland poleis (stadstaten) die hun aandacht richten op filosofie, politiek en wetenschap. Vanaf 750 tot 550 voor Christus vertrokken veel mensen naar de kusten van de Middellandse Zee om zelf koloniën te stichten. In 499 voor Christus kwam de Griekse poleis in Ionië in opstand tegen de overheersing van de Perzen. Zij werden hierbij geholpen door het Griekse moederland. Toen de opstand mislukte, besloten de Perzen het Griekse moederland te straffen. Dit leidde tot de Eerste (490 voor Christus) en Tweede (480-479 voor Christus) Perzische Oorlog. De Grieken waren de eerste die de Perzen hadden verslagen. Athene werd het culturele centrum nadat het door de Perzen verwoest was en ze de stad volledig vernieuwd hadden. De bouwkunst en beeldende kunst noemen we klassiek: van blijvende waarde.

Voor verschijnselen die men niet kon verklaren, zocht men de oorzaak bij de goden (polytheïsme). Vanaf de 6e eeuw voor Christus ging men op een wetenschappelijke manier kennis ervaren:

  • Thales van Milete: de oerstof (waaruit alles zou bestaan) is water.
  • Pythagoras: de hele wereld is uit te drukken was in getallen en verhoudingen daartussen.
  • Demokritos: de oerstof is niet met het oog waarneembaar (atoma)
  • Hippokrates (arts): gezondheid hangt samen met de juiste verhouding en menging van de 4 lichaamsvochten (bloed, slijm, gele gal en zwarte gal). Dit is de theorie van de 4 temperamenten (genezende god Asklepios).  
  • Sokrates: iemand die precies de betekenis van een begrip als rechtvaardigheid wist, vanzelf ook rechtvaardig zou handelen.
  • Plato: de basisbegrippen zijn bij iedereen aangeboren, maar niemand kan zo’n begrip volledig bevatten, behalve een filosoof.
  • Aristoteles: wetenschap begint met observeren, nauwkeurig beschrijven en daarna verklaren.

Sofisten (redenaars, rondtrekkende specialisten op het gebied van filosofie, politiek en communicatie) vonden dat er geen algemene waarheid was. Zij hielpen burgers ook met redeneren om politieke invloed te krijgen.

Athene was een democratie waarin alle politieke functies toegankelijk waren. Ostracisme: scherven waarmee men stemt wie er veroordeelt werd tot verbanning. Het draaide om vrijheid (vrij spreken en politiek actief zijn) en gelijkheid, maar deze vrijheid en gelijkheid golden alleen voor mannen met burgerrecht. Het was een directe democratie: voor meebeslissen moest je aanwezig zijn.

Lijnrecht tegenover hen stond Sparta, een aristocratie. Sparta focuste zich op de hoplieten (zwaarbewapende soldaten, Spartiaten). De macht werd gedeeld door 2 koningen, een raad en 5 eforen (bestuurders). De Peloponnesische oorlog (431 – 404 voor Christus) was een oorlog tussen Athene en Sparta. Athene werd verslagen en de democratie werd opgeheven. Er kwam een Spartaansgezinde oligarchie (kleine groep rijken aan de macht). In 403 voor Christus werd echter de democratie weer hersteld.

In 338 voor Christus kreeg koning Philippos van Macedonië de macht in heel Griekenland. Philippos besloot oorlogsplannen te maken voor een oorlog tegen de Perzen. Zo kreeg hij ook de Griekse bevolking mee. Hij werd echter vermoord en zijn zoon Alexander volgde hem op. Hij zette de oorlogsplannen door en verovert in 331 voor Christus het Perzische Rijk, maar toen hij stierf viel zijn rijk uiteen in Egypte, Azië en Macedonië-Griekenland. Alexandrië (bij de Nijl) werd de stad van de wetenschap, met als centrum het Museion.

  • Eratosthenes had als eerste de omtrek van de aarde berekend, was de uitvinder van de chronologie, ontwerper van de wereldkaart en bedacht een manier om onregelmatig gevormde ruimtes te berekenen.
  • Herophilos ontdekte dat de zenuwen in de hersenen samenkwamen en dat de intelligentie zich hier bevindt door autopsie.
  • Erasistratos ontdekte dat het hart werkte als een pomp.           

bron: geschiedeniswerkplaats